O, wat ben je mooi, Bram!O. wat wordt je mooi, Bram. Vandaag staan alle twee je oren recht. Ik let goed op, dat je het linkeroortje niet dubbelvouwt, zodat het lijkt of je een flapoor bent.Maar mooi zo, je houd ze al de hele dag rechtop. Ik kijk af en toe vanuit mijn keukenraam naar buiten, en kijk goed naar je profiel. Van een afstand bekeken lijk je nu een beetje op een groot konijn. Je kop met die twee recht op staande oortjes, is eigenlijk iets te groot voor je lichaam. Daarom lijk je een beetje op een konijn. Ik moet er even om lachen, het lijkt ook zo grappig, een hond die straks zelf op konijnejacht moet gaan, lijkt nu zelf op zijn toekomstige prooi. Iedere dag zie ik je veranderen, en je leert zelfs al wat te luisteren naar mij. Ik weet dat je dat ontzettend moeilijk vind, maar kom, je begint echt goed je best te doen. Elke dag leer ik je karakter ook een beetje beter kennen, en leer ik ook welke streken je bezit. Je bent overmatig vriendelijk, tegen mensen en dieren. Je ziet er ook zo grappig uit, dat bijna geen mens jou kan negeren. Je bent je daar zelf terdege van bewust, dat mensen kleine honden leuk vinden, en graag even strelen. En wanneer je vind, dat je aandacht te kort krijgt, zorg je er zelf wel voor, dat je aandacht krijgt, door je malle streken. Vanmorgen heb je voor het eerst een duik in het water van de vaart genomen. Niet dat dit nu direkt de bedoeling was, want je liep een grote blonde labrador achterna, die even een frisse duik nam. Voor je het wist, zat je zelf ook in het water. Maar zo klein dat je ook nog bent, je was er weer vliegens -snel uit. Ik schrok me naar , want de grote vraag voor mij was toch wel, kan je wel zwemmen. Maar Bram, die trekt zich nergens niets van aan, krabbelt de wal weer op, en schudt zijn vacht droog van het water. Net als ik een beetje bekomen ben van de schrik, spring je er voor de tweede maal in. Bram! Bram! Roep ik, kom hier. Zijn pootjes zijn nog veel te kort, om uit de vaart te komen, maar Bram is eigenwijs, en peddelt lekker achter de Labrador aan. Eindelijk heb ik Bram te pakken, en lijn hem zo snel mogelijk aan. De terugweg moet Bram maar aan de riem blijven, want Bram geniet teveel van zijn vrijheid, en alles wat passeert of wat Bram ziet, dat is voor hem intersant. Zo intersant dat hij vergeet, dat ik niet de hele dag tijd heb, om te wandelen. Thuis gekomen is Bram versleten als een oude schoen, en ploft hij zich neer in zijn mand. Bram slaapt en weet van de hele wereld geen kwaad meer. En zijn oortjes, die blijven zelfs recht op staan, nu hij slaapt. AdJ
|