Lulletje Lampekatoen.....Ik heb een hond. Een imposante Siberische Husky met de krachtige oeruitstraling van een poolwolf. Sommigen menen zelfs dat dit ras rechtstreeks afstamt van deze bloeddorstige roofdieren en dat misverstand wou ik graag zo houden. Hij heeft vlijmscherpe tanden in zijn indrukwekkende muil, die zo groot is dat uw hoofd met gemak tussen zijn kaken zou passen, of uw keel, en als u ons op straat tegenkomt zult u zich minstens drie keer bedenken eer u mij berooft van geld, pincode of eerbaarheid.De dreigende uitstraling die ik helaas ontbeer, wordt door mijn hond ruimschoots gecompenseerd. Wat andere sukkels met dure auto's hebben, heb ik dus met mijn huisdier. Hij is het ontbrekende deel van mijn pietluttige persoonlijkheid, mijn mannelijkheidsprothese op vier poten. Zonder hem zou u mij het liefst van de stoep afracen met uw kinderwagen of fiets aan de hand, want ik zie er uit als Lulletje Lampenkatoen, maar voor ons samen doet u maar al te graag een eerbiedige pas opzij. Ook dankzij hem kwam ik onlangs in kontakt met een beeldschone hondenpuppy-bazin die me spontaan haar telefoonnummer gaf om 's-avonds thuis haar nest te komen bekijken, terwijl ze me zonder het dier nooit had zien staan, noch een adres waardig keurde. Nu echter straalt de schoonheid van de hond en zijn viriliteit ook een beetje over op mij. Als iemand vraagt: 'Bijt'ie?', dan mompel ik iets binnensmonds wat het twijfelachtige midden houdt tussen ja en nee, waardoor zijn hapbereidheid in het ongewisse blijft, want ik verdom het om te zeggen dat hij alleen maar naar vliegjes hapt en zelfs daarbij nog weinig succesvol is. Dat hij bang is voor onweer en bij de eerste donderslag trillend als een te groot uitgevallen juffershondje op mijn schoot springt, ga ik niemand aan zijn neus hangen. Ook niet dat hij als de dood is voor uittrekbare harmonicarekjes voor klimplanten, draaiorgels op straat, klapperende ramen, wapperende gordijnen, vallende post op de deurmat, keffende Chiwawa's, hard dichtslaande deuren, rijdende bureaustoelen op wieltjes en dat iedere onverlaat die bij mij inbreekt kan rekenen op zijn enthousiaste ontvangst die normaal gesproken alleen is voorbehouden aan Sinterklaas, waar hij trouwens ook bang voor is. U moet me echter wel één ding beloven; mochten we elkaar ooit op straat tegenkomen, spring dan een beetje geschrokken opzij voor ons. Al doet u maar alsof. Niet tè overdreven natuurlijk, anders laat u de hond zo schrikken, maar het zou mijn ernstig vertrutte imago zo ten goede komen. Alstublieft? Herman Baas, 24 september 1999 |