Het verhaal van SpannoDe Kleine Wijze zit op de heuvel te kijken naar de welpen die beneden aan het spelen zijn. Zo horen canissen te zijn, denkt hij. Hij strekt zijn oude rug, gaat liggen en legt zijn kop op zijn kromme voorpoten.Plots komt achter hem een welp aan gelopen. Het is Selvin, een welp die net drie maal zijn geboorte maan heeft gezien. Zijn moeder is Mercel een grote zwarte waakster en zijn vader is, zoals bij alle canissen, onbekend voor hem. Selvin loopt op De Kleine Wijze af, De Kleine Wijze richt zijn kop op en Selvin deinst terug. "Ik wilde u niet waker maken, Wijze. Ik wil eigenlijk even met u spreken." De Kleine Wijze staat op en gaat naast Selvin zitten." Je maakte me niet wakker want ik sliep niet en al sliep ik, je bent altijd welkom. Je weet trouwens dat ik Spanno heet dus noem me ook dan zo." Zei Spanno. "Maar wat wilde je bespreken?" "Ik verveelde me dus wilde ik gewoon even met u praten" "Waarom speel je dan niet met de andere welpen?" Vraagt Spanno. Selvin's blik draait af naar een rups, op een takje, die net wilde beginnen aan het volgende blaadje. "Ze doen me allemaal veel te wild" zegt Selvin met een zielig welpen stemmetje. "Je moet blij zijn dat jullie wild zijn" zegt Spanno Selvin richt zijn kop weer op en kijkt Spanno recht aan; "Waarom?. Ik wil helemaal niet wild zijn. In de sagen staat dat er canissen zijn die bij de tweevoeters leven, zij krijgen van hen de kost en ze hoeven er niet voor te jagen. Ze slapen bij hun bezitters in hun nest, zelfs als het water-valt, sneeuw-valt, ijs-valt of dat het dondert en er elektriciteit in de lucht zit, zitten deze canissen warm. Mijn moeder heeft verteld dat u ook zo'n canis bent geweest, u heeft dus ook een heel goed leven bij de tweevoeters gehad. Ik snap niet waar om u bent weg gegaan?" In Selvin's stem klinkt een groot verwijt. Spanno glimlacht " Selvin jij bent nog maar een welp en je kan alles nog niet begrijpen. Ik zal je vertellen waarom ik ben weg gegaan van de tweevoeters en zo hier te recht kwam. "Net voordat ik voor de tweede keer mijn geboorte maan had gezien, werd ik gescheiden van mijn moeder. Ik kwam terecht in een roedel van tweevoeters en canissen. Mijn bezitters bestonden uit vier tweevoet-welpen en hun beide ouders. Er waren ook twee pool-canissen. De reu heette Nouka en had al meer dan twaalf keer zijn geboorte maan gezien. De teef heette Sonny en had ongeveer vier maal haar geboorte maan gezien. Tot dat ik voor de derde maal mijn geboorte maan zag, leefde ik gelukkig. Maar ik kwam op de leeftijd dat ik de plaats moest bevechten van Sonny. Nouka was de Dom-canis van ons drieen en dat bleef hij ook. Omdat ik een kleine witte ben moet ik het niet van mijn kracht hebben, en moest ik maar wat gaan bedenken. De dag was aangebroken, die duistering had ik voor de derde maal mijn geboorte maan gezien. Ik stond recht tegen over de veel grotere Canis, het gevecht begon. Sonny sprong gelijk op me af maar ik sprong, onder haar door, weg. Zo ging het hele gevecht tot dat ze zich uit geput op haar rug rolde als teken van overgave. Ik was trots op me zelf, ik had nu het recht om mijn territorium te verdedigen, ik was een echte reu. Ik blafte tegen alle canissen en andere viervoeters, tegen alle bezitters en andere tweevoeters en zelfs de gevleugelde jaagde ik weg. Nouka vond het niet erg dat ik als lijder speelde en ook Sonny vond het wel leuk, ze was een teef en dus was het normaal dat ze onder een reu stond. Alleen de bezitters waren er niet blij mee; elke keer als ik mijn stem liet horen, kreeg ik een trap van één van die voeten ik gromde tegen die voeten maar dat hielp niets. Sonny was een soort moeder voor me geworden, niet dat ik een moeder nodig had maar de bezitters hadden haar naar een tweevoeter-in-het-wit gebracht en die heeft haar in gespoten met een grama die zorgt dat ze niet loops werd. Sonny wilde graag welpen maar kon die zo niet krijgen. Omdat ik klein was en jonger, voelde ze zich als moeder voor me. Ik vond dan best leuk maar het is Sonny fataal geworden. Ik had 11 maal mijn geboorte maan gezien. Na dat onze bezitters hadden gegeten waren ze bijna allemaal weg gegaan, behalve de vader. Hij zat voor de kleuren doos, dat is een doos waar verschillende kleuren opkomen en verspringen zo dat er bewegende figuren op te zien zijn, ook komen er allerlei geluiden uit. Op de tafel lag iets eetbaars, dat had ik geroken. Nouka en Sonny lagen buiten. Ik waagde het er op, boog mijn poten spande de spieren in mijn achterpoten en sprong op de stoel. Vandaar uit zette ik mijn voorpoten op de tafel en pakte ik, met mijn bek, het eetbare. Opeens een harde klap van een stok tegen mijn voorpoten, ik schrok. Het deed pijn maar ik liet niet los. Nog een klap, nog harder dan de andere. Ik moest nu wel los laten, een stekende pijn schoot door heel mijn lichaam. Ik schreeuwde, piepte, jankte uit allemacht. Ik viel op de grond maar was niet meer in staat om op te staan. De bezitter hief zijn stok weer op om een nieuwe klap te geven, maar op dat moment kwam Sonny van achteren, ze had mijn geschreeuw gehoord en ze was er, als een echte moeder, op af gekomen. Ze sprong op de bezitter af en zette haar tanden in de voorpoot waar hij de stok vast had. Nu schreeuwde de tweevoeter het uit en hij pakte de stok met zijn andere voorpoot. Vele keren sloeg hij hard tegen Sonny, een aantal keren tegen haar onder rug tot dat ze geen gevoel meer in haar achterste had en los liet. Uitgeput lag ze op de grond. Geen kracht meer over om zich op de rug te draaien. Ze lag te rochelen in haar eigen bloed en dat van onze bezitter. Ik wist dat ze stervende was, een slag zou genoeg zijn om haar uit haar lijden te verlossen. De klap kwam. De geur des Doods vulde ruimte, een geur die alleen viervoeters konden ruiken. De tweevoeters zijn, opdat punt, ver onder ontwikkeld. Dat was wel te merken want de bezitter bleef door slaan, net zolang tot alle tanden van Sonny verbrijzeld waren, haar schedel was ingeslagen, haar neus er niet meer was. Er was geen echte caniskop meer te zien. Eindelijk was de bezitter stil, van Sonny was alleen nog maar een hoopje vacht in een bad met bloed over. Ik werd buiten gegooid bij Nouka. Nouka zat in de hoek oor zich uit te staren. Ik lag op de grond, nog steeds niet in staat op te staan. Minuten gingen er voor bij. Ik eens keek ik naar Nouka en werd kwaad. "Waarom...Waarom had je Sonny niet geholpen, de bezitter had niet tegen jullie twee gekund, waarom kwam je niet in actie? Een Dom-cannis hoort zijn roedel te beschermen, zelfs tegen de tweevoeters. Maar waarom deed je het dan niet?!! Nouka keek me met een lege blik aan; "Ik kon er niets aan doen" zei hij opvallend rustig "Als ik was gekomen had Sonny misschien nu nog geleefd, maar misschien ook niet. De tweevoeters zijn gevaarlijke wezens. Hun bek is niet bijzonder gevaarlijk daar eten ze allen maar mee. Maar hun poten zijn hun gevaarlijkste wapens. En anders had hij ons naar de tweevoeter-in-het-wit gebracht en die had ons in gespoten met een soort grama waardoor je ook sterft. Dan hadden we allebei niet meer geleefd". Daar had ik niets meer op te zeggen. Nouka liep op me af en pakte me bij mijn nek en zette me weer op mijn pootjes zo als een moeder doet bij haar welp die uit het nest was gelopen. "Je moet snel weer leren lopen anders overleef jij het ook niet" zei Nouka met een vriendelijke stem. Ik ging op drie poten staan want in de vierde zat een verschrikkelijk stekende pijn en hij stond ook nog scheef. "Nu lopen" commandeerde Nouka. Ik hinkte vooruit op drie poten. Na wat oefenen ging het steeds makkelijker. De bezitter kwam buiten en wij vluchten het hok in, van daar volgde we de tweevoeter. Hij had een zwarte zak vast. Wij wisten wat daar in zat; de geur des doods was van verre te ruiken. In het duister lag ik na te denken en werd bang. Namenlijk als de tweevoeters instaat zijn canissen te doodden, dan zijn het vijanden van ons. Het is onnatuurlijk als twee wezens bij elkaar leven die vijanden van elkaar zijn. Ik besloot een plan te bedenken om me van de tweevoeters te bevrijden. De volgende dag gingen we in een rauwoelf om naar een plek te gaan waar allemaal kleine nesten bij elkaar stonden. De tweevoeters gingen daar altijd heen als het de tijd van de zon en weinig water-val was. Aangekomen werden wij in een hok gestopt en gingen ze spullen van de rauwoelf naar het mini nest brengen. Ondertussen besprak ik met Nouka mijn ontsnappingsplan. In de duistering, als de bezitters zich te rusten hadden gelegd, wilde ik ontsnappen. Met behulp van Nouka kon ik wel over het hek heen komen. Nouka vroeg aan me waar ik heen ging, maar dat was niet belangrijk. En zo gebeurde het ook. Nouka liep nog een stukje mee. Ik vroeg hem om mee te gaan naar de vrijheid maar hij wilde niet. Zwijgend liepen we verder. Nouka op vier poten ik op drie poten. Toen kwamen we op het punt van afscheid, Nouka likte me nog een keer over mijn neus en liep de stilte in op weg naar zijn hok. Ik liep verder op weg naar mijn vrijheid. Na de hele duistering te hebben gelopen, kwam ik bij een groot nest van tweevoeters. Daar ontmoete ik een kleine zwart-witte jaagster. Deze canis heette Mondy. In het nest waren nog meer viervoeters. Er liepen een stel felissen rond en in het gras stonden grote wezens aan het gras te eten. Ook rook ik nog een ander soort viervoeter maar ik kon niet thuis brengen wat het was. Mondy vertelde dat het wezens waren met weinig haar. Ze zaten gevangen. Om de zeven duisteringen, kwam er een grote rauwoulf lang komt om ze op te halen. Dan werden ze naar een plek gebracht waar ze door tweevoeters worden gedood. Ik schrok, ook zij leven dus samen met hun vijanden. Ik vroeg aan haar om mee te gaan op zoek naar de vrijheid. Ze ging zonder te twijfelen mee. We gingen sinds die tijd andere canissen en een goed thuis zoeken. Veel canissen sloten zich bij ons aan. Zo ook Ditto, een grote goude. Voor dit soort canis is het vrij bijzonder dat ze zich tegen de tweevoeter keerde want het staat bekend dat ze graag voor hun bezitter werken. Er zijn van dit soort die een bezitter hebben die gehandicapt zijn en hun dan helpen. Ditto was nog maar een welp die 5 maal zijn geboorte maan heeft gezien. Maar ook enkele felissen sloten zich aan, waaronder Tobias. Zij was veel mishandeld, kreeg alleen maar vegetarisch voer te eten en was over al bang van. Zelfs voor de gevleugelde. Mondy had haar over gehaald om mee te gaan. ze kreeg wat meer zelf vertrouwen maar ze kon nog steeds geen vlees eten. Nadat ik vier maal mijn geboorte maan had gezien sinds het afscheid van Nouka, kwam we aan bij dit bos. Onze groep bestond toen uit acht canissen: Ponder, Rakker, Tanner, Boender, Gris, Ditto, Mondy, en ik. Samen met de drie felissen: Tobias, Rivalle en Murdok. Toen Ponder en ik het bos gingen verkennen, stond er voor ons een enorme canis. Deze canis was nog groter dan Ponder, terwijl Ponder een hertejager was en dus het grootste soort onder de canissen. Deze canis die voor ons stond was geen gewone canis. We keken naar de grond. Onze staarten hingen slap langs ons lichaam. Alles om ons zo min mogelijk dreigend te laten lijken. We waren tenslotte toch op zijn territorium. De enorme deed een stap naar me toe, ik sloot mijn ogen. Toen voelde ik iets lauws over mijn neus, ik richtte mijn kop op. Het zelfde deed hij bij Ponder die verbaasd op keek. De enorme canis had ons over de neus gelikt als teken van acceptatie. Toen ging hij zitten. "Gegroet vrienden, wat brengt jullie hier toe" sprak de enorme op majestueuze toon. Ik kwam naar voren en vertelden waarom ik op pad was en dat ik op zoek was naar een thuis voor mijn roedel. "Ik heet Brindel en natuurlijk zijn jullie hier welkom. Zelfs de drie felissen mogen komen" sprak Brindel. "maar er zit wel een voorwaarde aan; Dit bos is van mij, geen tweevoeter komt hier. Dus als jullie hier willen wonen, word ik jullie Dom-Canis. Wij waren er natuurlijk mee eens en rende terug naar de groep om de rest te halen." "Nu heb ik in dit bos al 168 maal mijn geboorte maan gezien. Ik geniet nog steeds van de vrijheid". Spanno slaakt een zucht. Ik hoop dat je nu begrijpt hoe belangrijk vrijheid is Selvin" er komt geen antwoord. Selvin?!!.. Hij hoort het rustig ademhalen van Selvin. Spanno kijkt om naar Selvin; hij slaapt. geschreven door: Kathinka Tamerius H4Q geinspireerd op het boek "Solo's zwerftocht" |